Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

individualiteiten die haar te eng vinden, die hare waarden betwisten, hare grenzen overschrijden, wordt ze tot een muffe, geesteloze kazerne, tot een ondragelijke gevangenis.

Welk een wereld is die, waarvan Otto Dietrich, perchef van het Derde Rijk, in z’n „Die philosophischen Grundlagen des Nationalsozialismus” zegt: „Ons leidend beginsel is: de gemeenschap boven het individu. Maar dat geldt niet voor den leider; hij alleen heeft recht op persoonlijkheid en individualiteit” *) wat dus zeggen wil dat die voortdurende vernieuwing en verrijking van de „gemeenschap”, waarvoor het werk van duizenden grotere en kleinere persoonlijkheden nog altijd onvoldoende is, wordt overgelaten aan één man — die in dit bijzondere geval ook nog niets anders is dan een volksredenaar, wiens „persoonlijkheid” die van de gemiddelde pangermanistische extremist is — die ook in het beste geval, als hij een genie was, niet in staat zou zijn ook maar een gedeelte van die taak naar behoren te vervullen.

De grondwaarheid, dat iedere nieuwe waarde die aan de „gemeenschap” wordt toegevoegd, tot stand komt in een strijd van individuen tegen de, op een bepaald moment, in de gemeenschap heerschende opvattingen, en dat dit optreden door de grote massa wordt aangevoeld als een aantasting van de „gemeenschap”, die grondwaarheid is voor fascisten onaanvaardbaar. Het is een „liberale” waarheid die door de collectivisten óf zonder meer wordt afgewezen (fascisten), óf met veel voorbehoud en sabotage wordt erkend (bolsjewisten) óf zonder de ware geestdrift, als iets dat toch eigenlijk in strijd is met de gemeenschaps-religie, wordt aanvaard (socialisten). Zonder deze liberale waarheid is er voor wetenschap noch voor kunst, voor moraal noch voor politiek, voor religie noch voor cultuur, levensmogelijkheid.

De fascisten zijn wel het verst van allen, van deze waarheid verwijderd. Ook daar waar ze, (besmet als ze ondanks alles zijn door de liberale wereldbeschouwing, zonder welke de ontwikkeling der wetenschap in het verleden onmogelijk zou zijn geweest) niet durven in te gaan tegen het prestige dat de vrijheid van onderzoek in wetenschappelijke kringen geniet, proberen ze die erkenning onschadelijk te maken door uitspraken als die van Rust: „Vrijheid van onderzoek en nationale wereldbeschouwing, zijn de beide peilers waarop de universiteit der toekomst rusten moet”. Dat de „nationale wereldbeschouwing” (opzichzelf al een zonderling iets, *) Gecit. bij Tingsten: „De nationale dictaturen” blz. 101.

Sluiten