Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

instinctmatig, altijd nog ruimte openhouden voor de werking van de individuen, voor de tegenwerking dus, zonder welke het collectivisme doodloopt. We zien dat onder de socialisten bij Marx, bij Rosa Luxenburg en zelfs bij een toch veel minder genuanceerde en veel fanatieker figuur als Lenin. We zien het in de Katholieke Kerk bij alle grote Pausen, kerkleraren en ordestichters, zelfs bij den man die het meest in de roep staat een collectiviteit te hebben gesticht waaraan de individuen volkomen ondergeschikt zijn, bij Loyola, en we zien het daar, zo als bij onderzoek blijkt, in grote mate.

Maar, afgezien van het fascisme, blijkt uit dit alles, hoe het evenwicht tussen de collectivistische en de individualistische sfeer in de maatschappij, telkens weer, tot stand komt, juist in een „vrije” maatschappij. Het blijkt dan, dat er altijd weer individualisten zijn, die zich opwerpen als verdedigers van het collectivisme, en die, in hun drang naar „gemeenschap” en „geslotenheid”, de „uitwassen van het individualisme” — zoals ze dat dan zien, en zoals ze ook vaak aanwezig zijn — bestrijden.

Als uitwassen van het individualisme kan men immers iedere verwaarlozing van de belangen der massa beschouwen, iedere toestand die de millioenen tussen de armoede der werk-slavemij en de verpaupering der werkloosheid bekneld houdt, iedere glorie van een kleine groep die kennelijk verkregen is door het uitbuiten van de massa.

Vooral als bij onderzoek blijkt, dat die kleine groep alles-behalve een culturele élite is, noch een economisch-technische élite, doch dat het winst-motief er oppermachtig is, en dat de denkers, kunstenaars, politici, organisatoren zich bewust, gedwongen, of onbewust, naar het winst-motief richten, dan verenigt zich afkeer van deze heersers met deernis met de onderdrukten, dan ontstaat de overtuiging dat de heersende groepen alleen maar waard zijn om vernietigd te worden, en dat het maatschappelijk evenwicht slechts mogelijk is als er een volkomen „gelijkheid” tot stand kan worden gebracht, als de gemeenschap voorgoed belet, dat individuen hun bijzondere gaven gebruiken om anderen aan zich ondergeschikt te maken.

Tegelijkertijd zijn deze verheerlijkers van een collectivistische wereld gewoonlijk zulke echte individualisten, dat zij zich hun maatschappij niet anders kunnen denken dan in overeenstemming

Sluiten