Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Duitsers en Japanners daarentegen beschikken slechts over beperkte, betrekkelijk arme gebieden, ze moeten de grondstoffengebieden en de uitgestrektheden die nodig zijn voor een werkelijk wereldrijk, nog veroveren; ze zijn nog bezig met de vorming van hun rijken, ze zijn onbevredigd, agressief, roofzuchtig.

Ze staan voor de keus zich aan te passen aan de wereld zoals die nu eenmaal is, zoals de historische ontwikkeling die gemaakt heeft, of die gehele ontwikkeling te niet te doen, de wereld te breken en een wereld met nieuwe zwaartepunten, nieuwe verdelingen, nieuwe rijken en een nieuwe beschaving te maken.

De strijd gaat in wezen tussen het Duitse fascisme en de Angelsaksische, democratische, Westersche beschaving. Het fascisme, is een poging om de ontwikkeling van de Westerse beschaving tegen te houden, om die beschaving met militaire middelen te breken, en op haar ruïnen een nieuwe, totalitaire, beschaving te bouwen.

In de loop van haar ontwikkeling is de Westerse beschaving, voortzetting van de Grieks-Romeinse beschaving (en van de VoorAziatische beschavingen, uit wier contact met het Hellenisme, het Christendom is ontstaan), een individualistische, rationalistische, technisch-industriële beschaving, met een Christelijkdemocratische moraal geworden.

Met de Christelijke moraal bedoelen we hier niet de opvatting, die men wel voor Christelijk door wilde doen gaan, dat alle zielen gelijk zijn voor God, en dat dus ook alle mensen geüjk zijn, doch de opvatting, dat de zielen weliswaar nooit gelijk zijn, dat er uitverkoren en verworpen, hoger en lager, beter en slechter is, maar dat er geen „waardeloze” zielen zijn, dat iedere ziel, ieder mens dus, een minimum waarde heeft, beneden welke men niet kan gaan, waarmee men rekening moet houden. Christendom, is hier dus de erkenning, dat ook „de geringste onder de broederen” recht heeft op hulp, op steun, op welwillendheid; dat men dus moet streven naar een samenleving, niet gebouwd op het principe „heer-slaaf”, maar op het principe „sterkere en zwakkere broeders". Vandaar dat „broederschap” die sommigen als een fraze zonder meer beschouwen, met welke men bij een onderzoek der democratie niets kan aanvangen1), omdat ze „sociologisch en psychologisch nietszeggend” is, (en die ook in werkelijkheid vaak een fraze is, als men, dat wat bereikt is, vergelijkt met dat wat nodig 1) Zie b.v. Prof. W. Bonger: „Problemen der democratie", blz. 15.

Sluiten