Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bepaalde eischen van geestescultuur. Echter ook kunnen we constateeren cultuurtekorten, die aan verschillende standen of rangen vastzitten: ruwe manieren bijv. bij grondwerkers of schippers; of gebrek aan kennis bij de meeste lagere rangen, omdat de zorg voor het dagelijksch brood teveel tijd en aandacht in beslag neemt. Zoo ook heeft tot zekere hoogte iedere stand zijn bepaalde moreele gebreken, bijv. vloeken hier, ijdelheid en heerschzucht daar.

Dit alles zien we varieeren, naarmate het product fijner of grover is, meer tijd laat voor geestelijke dingen of alle aandacht in beslag neemt voor het dagelijksch brood.

Overduidelijk is het wel, dat stand en rang als regel cultuurperfecties en cultuur-tekorten aan zich hebben.

De vraag alleen is deze: veroorzaken deze cultuurperfecties den stand, of zijn ze integendeel gevolgen van den stand? En dan meenen we tot het laatste te moeten besluiten op grond van de twee volgende argumenten.

Ten eerste: Uit de bovengegeven omschrijving blijkt reeds, dat deze cultuurperfectie's of tekorten voortkomen uit stand en rang, die er aanleiding toe zijn en niet omgekeerd. Als voorbeeld: het grondwerkersvak is wel aanleiding tot ruwe manieren; echter niet omgekeerd, ruwe manieren maken iemand nog niet tot grondwerker. Beiden echter gaan geregeld samen — dus dan moet het beroep wel aanleiding tot die perfectie's of gebreken zijn.

Ten tweede. Het begrip „stand" zegt iets constants, iets blijvends. Iemand behoort niet tot den boerenstand, omdat hij voor zijn pleizier wel eens aardappelen poot; of niet tot den timmermansstand, omdat hij een kippenhok timmert in zijn tuin. — Hij wordt eerst van dien stand, als hij regelmatig dat werk doet, en zijn leven daarop is ingesteld.

Sluiten