Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dere bewegingen bestrijden in die punten waarin ze het goede voorstaan, is precies tegenovergesteld aan het dienen van „de goede zaak". Dusdanige dwaasheden hooren niet thuis in de katholieke pers.

Hier past een woord over de tegenwoordige vakorganisaties.

Overduidelijk is, dat deze niet de beroepsgenooten organiseeren; integendeel, een groot gedeelte sluiten ze uitdrukkelijk uit. Zooals in het eerste hoofdstuk werd betoogd, zijn deze bonden strijdorganisaties van groepsbelangen, georganiseerde klassenstrijd. Als zoodanig passen zij absoluut niet in een standen-maatschappij.

Zijn deze bonden daarmee veroordeeld?

Zooals reeds is opgemerkt, waren deze bonden noodig. Immers, zoolang de klassen er zijn, kan er ook niet anders zijn dan klassenstrijd, en deze strijd zal zeer waarschijnlijk tot rechtvaardiger uitkomsten komen, wanneer ze georganiseerd geschiedt, dan in het wilde weg. Deze bonden hebben de arbeiders omhoog geheven uit het zoo diep neerdrukkende onrecht, waarin ze waren neergestooten. In deze bonden hebben de arbeiders zichzelf ontwikkeld en gevormd. Zonder het voorafgaande werk dezer bonden zou het momenteel zelfs dwaas zijn over de mogelijkheid eener standen-maatschappij te denken. De encycliek Quadragesimo Anno prijst dan ook hun werk zeer, maar dringt er tevens op aan, dat ze hun werk zullen voltooien. De Paus hoopt juist: ,,dat de bestaande en vruchtbaar werkende vereenigingen met kracht zullen werken om den weg te bereiden voor deze hoogere bedrijfsschappen." Zoolang de klassen-maatschappij nog niet verdwenen is, mogen om eigen lijfsbehoud der leden ook de vakorganisaties nog niet verdwijnen. Maar hun groote wegbereidende taak zal hierin bestaan: de mentaliteit van hun leden zoo te vormen, dat ze inzicht krijgen en verlangen naar het hooge goed

Sluiten