Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dikwijls wordt op deze vraag geantwoord: „Neen! de standsorganisatie blijft, behoort ook te blijven, en wel juist in denzelfden vorm, zooals ze er nu uitziet." En als argument beroept men zich dan wel op den lof door von Nell Breuning over de Nederlandsche Arbeiders Standsorganisatie uitgesproken, haar lovend: omdat ze juist, ook wat den vorm betreft, zoo goed de bedoelingen van den Paus heeft begrepen en uitgevoerd.

Deze redeneering trekt echter een conclusie, die veel te ver gaat.

Von Nell Breuning bespreekt deze zaak bij zijn commentaar op deel I der encycliek. Hij constateert daar, dat de standsorganisatie de sociale milieugroep heeft verbonden, en onder die groep „Sozialseelsorge" heeft uitgeoefend. En dat is geschied en dat dit in een aparte organisatie is geschied, dat is het, wat hij zoo hoogelijk prijst en ook door den Paus geprezen acht. Maar von Nell Breuning zelve maakt bij de bespreking hiervan uitdrukkelijk abstractie van de quaestie: klasse en stand — die quaestie gaan we later bespreken zegt hij en hij doet dat bij zijn commentaar op deel II sub V°. Maar in zijn commentaar op deel I wil hij alleen vastleggen, dat zulk een prachtig en noodzakelijk werk is geleverd door deze afzonderlijke organisatie van de sociale milieugroep op religieuzen en zedelijken grondslag. Dat dit ook in de toekomst zal moeten gebeuren, is iets wat vanzelfsprekend is.

Maar een andere quaestie is deze: wat was het voor een soort sociale milieugroep, die men aldus georganiseerd heeft? En dan hebben we in ons eerste hoofdstuk met de woorden van von Nell Breuning zelve aangetoond, dat er in feite alleen maar „klassen" bestonden: de lagere klassen zonder bezit, de middenklassen met middelmatig, de hoogste klassen met groot bezit. Men noemde dit wel standen, maar in diepste wezen waren het klassen.

Sluiten