Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Volgens de klasse-indeeling is iemand hooger en voornamer, naarmate hij meer bezit heeft. En aangenomen het princiep, dat iemand volgens den staat van zijn voornaamheid mag leven, volgt dan vanzelf, dat er geen vrije inkomsten overblijven, want zijn voornaamheid bestaat juist in zijn geld. En daaruit volgt logisch de moreele waardeering: ,,ik kan me dat veroorloven, want

ik kan het betalen."

We hebben echter reeds gezien en aangetoond, dat voornaamheid van stand niet uit het bezit voortkomt, maar dat iemands stand bestaat uit de waardigheid van zijn beroep uit kracht van het product en de daaruit volgende cultuurperfectie. Dit aanvaardende krijgen ook de woorden van den Paus over de vrije inkomsten, inhoud en beteekenis; in de klassegedachte zijn ze volkomen zinloos.

We achten dus bewezen het feit, dat er in de maatschappij bestaat verschü van hoogheid van stand. En we stellen nu de vraag of een bepaalde hoogheid van stand ook recht geeft op een zeker uiterlijk levensdecorum, recht geeft op stoffelijke goederen en daaraan behoefte

heeft. .. .

Natuurlijk: ieder mensch moet van zijn arbeid kunnen leven; en wel zoo, dat hij niet slechts het noodzakelijke levensonderhoud heeft, maar ook een menschwaardig bestaan. Doch daar gaat nu de quaestie niet over. Onze vraag is deze: kan iemand daarbovenuit nog iets eischen, uitsluitend en alleen uit kracht van zijn stand, zoodat iemand van hoogeren stand en rang als zoodanig ree t heeft op meer stoffelijke goederen dan iemand van een

lageren stand?

Als antwoord zij geponeerd de volgende stelling: Dat recht bestaat inderdaad; en de norm voor het hebben van die meerdere stoffelijke goederen is uitsluitend: de

Sluiten