Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

perfectie, de hoogheid van den stand — en gevolgelijk daaraan: de stoffelijke eischen van het cultuurniveau wat dien stand begeleidt. Met andere woorden: boven noodzakelijk levensonderhoud en menschwaardig bestaan uit, heeft iemand recht op meer stoffelijke goederen, naarmate en omdat zijn stand hooger of perfecter is. Dus de magistratenstand heeft recht op meer stoffelijke goederen, en behoort een hoogere uiterlijke levenspraal te ontplooien dan de ambachtstand, juist omdat zij als stand hooger, voornamer of perfecter is. Hetzelfde geldt naar verhouding van den architect ten opzichte van den metselaar.

Nu de bewijzen voor deze stelling.

1°. Als eerste bewijs zij aangehaald: het algemeen menschelijk denken, de volkswijsheid. Die zegt van een parvenu, die er een koninklijke praal op na houdt: „dat past u niet; zoo iets past aan den vorst of een hoog magistraat." Blijkbaar meet dus de volkswijsheid een behoorlijke uiterlijke levenspraal af naar de groote of kleine perfectie van den stand, dien iemand heeft. Vandaar ook, dat de klasse-mentaliteit van: „ik kan me dat veroorloven, want ik kan het betalen," zooveel kwaad bloed zet. Dit wekt terecht afkeer en roept nijd en haat op; maar niet als iemand van werkelijk hooger stand die schitterende levenspraal ontplooit. Al heeft de klasse-mentaliteit veel goede opvattingen verwrongen, toch leeft deze gezonde gedachte nog onder het volk. Dat een officier meer verdient en een andere uitwendige levenswijze kan voeren dan de gewone soldaat, dat vindt tenslotte iedereen vanzelfsprekend en behoorlijk.

2°. Het tweede en eigenlijke bewijs voor de geponeerde stelling luidt als volgt:

Het nut van de stoffelijke goederen is tweevoudig: eerstens dienen ze tot levensonderhoud; tweedens dienen

Sluiten