Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werp en beweegreden heeft, is haar kardinale deugd; dit is de hebzucht: zucht tot hebben om te hebben, verlangen naar rijkdom om den rijkdom zelf.

Rijkdom is de absolute monarch, alleen aan zichzelf verantwoordelijk. Al het andere is zijn onderdaan: menschelijke vaardigheid en vernuft, menschelijke arbeid en energie, kunst en kennis en wetenschap — de rijkdom neemt ze in zijn dienst en heerscht er over in volstrekte souvereiniteit.

Dit is vanzelfsprekend voor onze maatschappij, om niet te zeggen: behoorlijk.

De rijkdom, het bezit, heeft onze klassemaatschappij gevormd, heeft haar aanschijn bepaald, heeft haar innerlijke inrichting geordend. Wat wonder dat het schepsel zijn schepper huldigt en aanbidt.

Streven naar een nieuwen maatschappijvorm, naar een andere samenleving beteekent daarom: opstand, revolutie tegen dezen monarch, onttroning van dezen god.

Zooals in het eerste hoofdstuk werd beschreven, ontstaat de klassevorming door de overmacht van het bezit. Deze overmacht komt voort uit de bewegelijkheid van het kapitaal in tegenstelling met den arbeid.

Van het kapitaal in den eersten strikt oeconomischen zin, het productie-kapitaal, geldt deze bewegelijkheid natuurlijk niet. Een houtzaagmachine kan moeilijk over een maand gebruikt worden als schoenmachine; dit kapitaal is evenzeer vastgelegd, als de arbeidende mensch zichzelf vastlegt, door ingenieur te worden of machinebankwerker of dokter. Alleen het winst-kapitaal geniet deze bewegelijkheid, en krijgt daardoor die overmacht. De eigenaar van de machines en nog meer allen die arbeiden in het bedrijf, hebben daardoor een handicap tegenover den bezitter van het winstkapitaal; deze laatste heeft de mogelijkheid zich aan het bedrijf te

Sluiten