Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vernam hij de stilte, die sprak met een zachte,betooverende stem, met de stem van ritselende blaren, die dorden en met den ijlen schreeuw van een hoog langs den nevelig blauwen hemel zeilenden vogelzwerm. En dan kwamen de wolken en ontwaakte weer de wind, die een macaberen dans met de dorre loovers begon. Dan werd het winter en de oneindigheid werd wit. De spiegels der beide meren werden dof. De sleden snelden rinkelend langs de wegen en weer werd het stil, heel stil. Doch deze stilte had geen stem, zooals ook de dood geen stem heeft.

Zoo hoorde de kleine Modeste de seizoenen gaan en komen, — en sterven in koude en verstarring. En bij elke nieuwe lente herademde hij.

In den salon stond een vleugel, een meubel, een sierlijk meubel, dat zingen kon. Het zong niet zoo mooi, als het orgel in de kloosterkerk, dat donkere tonen tusschen hooge, verrukte stemmen mengde. Maar het orgel was hoog en ver weg. De vleugel was dichtbij en op een stoel kon hij gemakkelijk bij de geheimzinnige toetsen komen, die ieder hun eigen stem hadden en heerlijk samen zingen konden.

Het wonder der zingende toetsen boeide hem vanaf het oogenblik, dat hij voor den eersten keer zelf de klanken wekte, welke hij in lied en orgelspel zoo vaak beluisterd had.

Sluiten