Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat een musicus van muzieklessen profiteert, is gewoon, maar dat een musicus voldoende heeft aan tien lessen bij een pianoleeraar, is het negatief van gewoon. „Balakirew is geen gewoon buitengewoon mensch, maar een binnenste-buiten-gewoon mensch", dacht Moussorgsky bij zichzelf, als hij zijn vriend hoorde improviseeren, wat een allegro kon zijn uit de eerste symphonie van Moussorgsky, als die componist-inden-dop ooit een symphonie geschreven zou hebben. „Je kunt het, Modeste", zei Balakirew dan. „Die middelste maten zijn heel goed, maar dan moet je de rest zóó maken." En het allegro kreeg gezelschap van een schat van een scherzo.

En zoo gaf Balakirew les aan een jong officiertje, dat goed piano kon spelen, geen notie had van harmonie en contrapunt, maar dat 's nachts de sferen hoorde rinkelen in hun gebinten, en God bezwoer, — klam van het zweet, — toch te willen zorgen, dat er geen pennetje uit z'n plaats zou schieten, dat er geen moertje los zou trillen.

Het wonderkind, Moussorgsky, en Balakirew, het wonder, dat wel nooit een kind geweest schijnt, strijden om de muziek, om de Russische muziek, waarin de Russische aarde en de Russische hemel samen moeten zingen, zooals hemel en aarde samenklinken in den feilloozen toon, dien we horizon noemen. Moussorgsky en Balakirew strijden om de werkelijkheid.

Sluiten