Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

"Mij houdt de volgende gedachte bezig. De „Iwans" (de Vierde en de Vijfde) en in het bijzonder de „Jarosslaw van Antokolski, de ,,Wolgasleepers" van Rjepin en last not least — de rachitische jongen op de „Vogelvanger" van Perow, het eerste paar op diens ,,Jagers , ook de mij niet getoonde, maar toch

door mij bewonderde „Processie in het Dorp",

waarom leven al die gestalten, alsof ze waarachtig leefden, zoodat men bij het zien ervan onwillekeurig denkt. „Juist zoo wilde ik jullie zien!"? En waarom heerscht in de nieuwste muziek, haar voortreffelijke eigenschappen buiten beschouwing gelaten, niet hetzelfde leven? Waarom moet men bij het luisteren ernaar denken: „Ach zoo, ja, ja, ik meende, dat U "

etc — Bitte, verklaar me dat eens, als 't U belieft, maar laat ,,de grenzen van de Kunst" er buiten. Ik geloof aan zulke dingen maar zeer voorwaardelijk, want grenzen in de kunst beteekenen voor den kunstenaar stilstand. In gemoede: mag uit het feit, dat eenig voortreffelijk vernuft nog geen uitweg gevonden heeft, de gevolgtrekking gemaakt worden, dat misschien eenig ander, wellicht minder voortreffelijk vernuft dien uitweg zal vermogen te vinden? — Waar zijn dan de grenzen? —"

Waar de grenzen zijn?

De domheid is er een van.

De traagheid is een tweede.

Een derde is de lafheid.

Sluiten