Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXIV

A

1. Vis Sonja bediende, had Modeste dorst. Dan wilde hij vergeten.

Sonja's loopen was dansen en haar roode jurk was muziek, een hartstochtelijke muziek, die hij hoorde na het derde glas. En hoe meer hij die muziek vergeten wilde, des te heviger begon ze te branden in zijn hoofd.

,,Ik mag mijn Maria nooit vergeten," zei hij zichzelf keer op keer. „Zij is dood. Misschien zullen we elkaar eens weerzien. Onder haar hoofd in de smalle kist liggen mijn liefdesverklaringen. En diep in mijn hart brandt mijn liefde voor haar, eeuwig, voor altijd." Maar Sonja was mooi en niet dood. Ze leefde, als een vlam, in al haar gebaren, in haar staan en gaan, een roode vlam, die niet te blusschen viel door wodka noch wijn.

Het was een landelijke herberg, waar zij achter de toonbank stond. Zij was getrouwd, vertelde men. Maar haar man was oud en gierig. Ze was hem ontvlucht en nu weêr vrij in dienstbaarheid.

't Is zomer en de lucht hangt vol muziek van vogels.

Sluiten