Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de toetsen, zoodat de snaren zoemend protesteeren. ,,Heer Graaf, Uw opgetogen taal vleit me zeer. Doch liever dan de sier Uwer welgekozen woorden, — al

kiest ge, als dichter, Uw woorden vrij wat beter,

is me de eerlijke bewondering, die ik lees in Uw lichtgrijze oogen, nog door geen brilleglas bedorven." "Als je geen god bent, Modeste, en geen goddelijk instrument, dan ben je toch in alle geval een kind." "Een kind met een baard? Heer Graaf, ge rijdt op stokpaarden!"

Moussorgsky is naast hem op de sofa komen zitten, die klagelijk kraakt. Hij heeft zijn monocle in het linker oog geklemd en kijkt zijn vriend en kamergenoot vriendelijk spottend in het eerlijk, open gelaat. ,,Geloof me, Modeste, al heb je een baard en verschuil je je oog achter het pedante glas, toch ben je een kind gebleven, een heerlijk kind."

"En gij, heer graaf, zijt jong met grijze haren, met onzichtbare, grijze haren."

Graaf Golenitschew Kutusow, de dichter, is een nog jonge man, wat bleek en mager, een dichter, die met dood en leven gelijkelijk, als met goede vrienden, verkeert en Dostoïevsky bewondert, als een meester, en lief heeft, als een broeder.

„Wat ik in je ,,Boris" zoo bewonder, Modeste, is dat de muziek geen muziek, het tooneel geen tooneel en de helden geen helden zijn."

Sluiten