Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXIX

TT

1 leggestraat nummer 9 wonen ze, de ambtenaarmusicus, Modeste Moussorgsky en de dichter-graaf Arsenij Arkadjewitsch Golenitschew-Kutusow.

Ze zijn beiden niet rijk, maar filosoof.

's Morgens staan ze op en zuchten:

„Wat is het leven?"

's Avonds gaan ze laat slapen en peinzen:

„Wat is de dood?"

De graaf leest zijn vriend de romans van Dostoïevsky voor.

De musicus speelt zijn vriend voor, wat hij klaar kreeg van zijn nieuwe, muzikale volksdrama, Chowanschtschina, dat zich beweegt binnen den toover-ellips, waarvan dood en liefde de brandpunten zijn, zooals liefde en dood ook de brandpunten vormen van Dostoïevsky's meesterwerken.

Moussorgsky denkt na over dood en liefde en over het volk, dat hij lief heeft, maar dat lijdt, — lijdt aan zichzelf, lijdt aan zijn onbegrepen heerschers.

„ . . . maar het volk steunt en bezuipt zich, om niet te steunen en steunt toch nog luider: — en komt niet verder."

Sluiten