Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het is niet vreemd, als een dichter in zijn jeugd aan den dood denkt. Het jonge leven, het jong geluk wil een achtergrond hebben.

Graaf Arsenius is jong en dicht, wat Moussorgsky, die ouder is, denkt over dood en leven.

De dood danst door het leven en zingt booze balladen en minnelijke minneliederen.

Het zachtst en teederst is de dood voor het dronken boertje, dat, zoetjes lallend, steeds verder in sneeuw en kou verdwaalt. Alles is wit, zóó wit, dat alles ineens zwart wordt om dan weêr rood bij te kleuren en, boos bedriegelijk, in groen over te gaan. Leeuweriken schroeven zingende spiralen in den al goudener hemel.

En ineens is alles weêr sneeuw en wit.

Er zingt een stem —

Is het de wind?

Het is de storm, die een woest danslied speelt.

En de dood pakt den boer beet. En ze dansen in koude en sneeuw, tot de boer uitgeput neerzinkt op een bed van koele vlokken.

Een spottende stem zingt dicht bij zijn oor:

,,Slaap, mijn vriend, droom zacht. — Kijk, het is al weêr zomer! — Over wei en akker straalt de zon. In de verte klinkt een lied . . . Sikkels zwaaien op en neêr .... een duivenpaartje vliegt uit."

En dan is er het zieke kind en aan zijn bedje staat de dood en zingt:

Sluiten