Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ik droom. Als ik gezond blijf en, de Hemel geve het, de noodige zielerust vind, zoo mag men wel aannemen, dat de „Chowanschtschina" mij niet in den steek zal laten. Vannacht heb ik in mijn nieuwe verblijfplaats nauwelijks geslapen. Des avonds hebben we met Naumow een groote wandeling gemaakt. Wij hebben minstens 5 a 6 werst geloopen. We waren beiden bodemloos tevreden en hebben daarna . . . beiden geen oog dichtgedaan. In de verte weerklinkt de signaalhoorn van den rangeerder op den spoorwegdam, of een „hondje" blaft in trouwe plichtsvervulling. Nu en dan doorsuizelt, als een harp-glissando, een slaapdronken ruischen het gebladerte. — Hoe zou men daarbij kunnen slapen!

Ten overvloede sluipt de „unsichtbare Mond" door het gebladerte naar het hoofdeinde van het bed. Stilletjes, zoetjes sluipt hij voort. Na het „ambtelijke", Petersburgsche geherrie, na het onrustig gedoe der residentie kan men niet gelijk rust vinden, maar voelt men zich aanvankelijk wat overspannen. Ja, men mist bijna het lawaai en vraagt zich voortdurend af, waarom het toch ineens zoo stil is? Gisteren, toen ik onder het bladerdak op het balkon zat, troostte mij het vroolijke lied van een troep voorbijtrekkende leegloopers. Ze zongen hun lied met begeleiding van een harmonica. De melodie heb ik onthouden. Ik was echter te verlegen, om de luidjes aan te houden en naar den in-

Sluiten