Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En dan begint de comedie van den ambtenaar Podkoléssin, die een vrouw zoekt en daarbij geen andere hulp aanvaardt dan van zijn lijfknecht Stepan en een spraakzame koppelaarster.

De muziek is rauw en kruimig. En wat niet af is, zingen de boeren erbij . . .

En ineens is de Jaarmarkt begonnen. Het heele theater trilt van muziek. Er is geen tooneel en geen zaal meer. De werkelijkheid is klank geworden. De zij wordt klachteloos gekreukt. En iedereen zingt meê in 't koor.

„Dat is het geluk," denkt Moussorgsky en hij hoort de klok weêr: „Je droomde maar. Je droomde maar. Je droomde maar."

En dan wordt alles wit, ondoorschijnend, mèlkwit. Een weeke witheid vol gesmoord geluid. Om zich heen voelt hij een ruim huis vol dikke tapijten en glimmend glad marmer. Heel fijntjes tikken de pendules: „Om U te dienen, één kleine seconde. Om U te dienen, één kleine seconde. Haast U maar niet." Hij heeft veel gasten en een vrouw, die mooi is en een slanken hazewind en relaties bij het hof en een vleugel om Chopin op te spelen.

En alles, de windhond, de vrouw, het marmer en het tafellaken, tot den vleugel toe, is bleek en wit van verveling.

Sluiten