Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Er is veel gepraat, dat vooral heel beleefd is. En nu

en dan sterft er een gast in een hoek van een canapé,

heel beschaafd en heel onopvallend.

Een magere man beweert, — en hij onderdrukt een

geeuw, — dat hij niet in God gelooft en kijkt schuin

naar hem, als om een antwoord.

Moussorgsky hoort zichzelf antwoorden, dat het ook

best mogelijk is, dat God niet in hèm gelooft en dat

dit toch wel heel naar is en saai.

Ze slaapwandelen over het marmer. Heel in de verte

zingt een tenor aria's van Bellini.

,,Ik geloof niet, dat U in God gelooft," teemt een

vrouwenstem aan zijn oor.

„Als ik in God geloofde, liep ik niet hier. U heeft gelijk." En Modeste wordt wakker voor de zooveelste maal.

Als hij weer inslaapt, wordt alles blauw. En hij hoort de stem van Vadertje Krupski, die over de schoonheid der kerkmuziek spreekt, maar daarbij zoo schalks kijkt, dat het orgel zacht begint te gichelen. En dan heft hij een heel eentonig lied aan, dat Moussorgsky dadelijk herkent. Het is het door alle censuur verboden lied van „de Seminarist".

„Panis, piscis, crinis, finis,

Ignis, lapis, pulvis, cinis.

O, wat is dat aartsvervelend!

Sluiten