Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

"Och ja, zei Cui en keek schichtig om zich heen. De schilder Rejpin kwam, nam de boeken van het wankele tafeltje, spande linnen, mengde verf en schilderde den man, die stierf en het zelf niet wist en die gehuld was in een geleende kamerjas, die hem kleedde, als een koningsmantel.

En de kunstenaar, die zich altijd in eigen kunst verscholen had, werd levend in de kunst van een ander. Hij werd uitgesproken, volledig uitgesproken in kleuren, die in klanken onuitspreekbaar was.

Droeve oogen, — maar wat een vuur vlamt erin, — staren over graf en tijd ons aan, zooals ze eens op een mooien lentedag den vriend, den schilder aanstaarden, die dood en eeuwigheid drie dagen vóór was.

F

,J—i r warsehr, sehrschwach, hattesich verandert, war grau geworden. Ueber unsere Besuche freute er sich und unterhielt sich vollkommen vernünftig mit uns, bis er plötzlich zu phantasieren begann", schrijft N. A. Rimsky-Korssakow vijf-en-twintig jaar later.

bis er plötzlich zu phantasieren begann." Het leven loopt terug. De kamer, waar hij ligt, de vrienden om hem heen, de laatste dagen, de laatste maanden, de laatste jaren: — het valt weg, — beschilderde coulissen en achterdoeken, die één voor één terzij geschoven en opgetrokken worden. — Kaal aan

12

Sluiten