Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Thuis zit Ludmilla Iwanowna Schestakowa, ziek en rillerig, oud en verlaten, met tranen in haar oogen en zoekt de brieven van haar dooden vriend bijeen. Een heele dag gaat ermee heen. Vaak kust ze het lieve papier, het nette, keurige schrift: ,,Iwan", fluistert ze en denkt aan haar broer, in wiens nabijheid Moussorgsky thans rust op het kerkhof van het AlexanderNewsky-klooster.

En als ze alle brieven nog eens gelezen heeft, — ook den laatsten, waarin hij haar telkens weêr,,beterschap" belooft, — maakt ze er een pakje van, dat ze stuurt aan Wladimir Stassow, die nu weêr, — nu het te laat is, — zijn vriend is.

,,Ik stuur U, Wladimir Wassiljewitsch," schrijft ze hem, ,,de brieven van onzen lieven Moussinka. U kunt het U niet voorstellen, hoe smartelijk het me aandoet, dat ik hem gedurende zijn ziekte niet heb kunnen bezoeken. Een briefje van zijn hand, dat ik over de stadspost ontving, hield me terug. Hij deelde me meê, dat het hem zoo goed ging, dat hij dacht dezer dagen uit te kunnen gaan en mij dan te bezoeken. Mij troost slechts dit ééne (— o, Wladimir Wassiljewitsch, hoe fel komt deze pijl aan en toch was 't zóó niet bedoeld, —), dat hij al den tijd, al de lange jaren van onze vriendschap nooit de flauwste schaduw van ontevredenheid van me gezien heeft. Ja,

Sluiten