Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KLEINE OEKE.

Toen Oeke bij ons in de bergen kwam, was hij een kleine, vuile, arme jongen.

Zijn gezicht leek op zijn naam, of liever zijn naam op zijn gezicht. Het was of zijn dikke vooruitgestoken lippen „Oeke” zeiden, of de grote ronde bruine ogen in het lichter bruine gezichtje óók „Oeke ’ zeiden. Oeke was werkelijk een heel goede naam voor het kleine arme Boegineesje.

Hoe wij aan hem kwamen?

Wel, de „patrouille” had hem meegebracht.

Zij was als gewoonlijk de kampongs gaan doorzoeken, want af en toe moesten de inlanders eens zien dat er nog soldaten, Hollandse soldaten, op de wereld zijn. Dat zouden ze anders in hun bouwvallige, tussen het groen verscholen huisjes vergeten en dat mag niet!

Ditmaal was de patrouille ver over de grens van het landschap geweest. Zij was als hulptroep geroepen hij het dempen van een opstandje onder de bevolking van een ander gebied, dicht bij het onze en zo gebeurde het, dat de sergeant en twaalf soldaten wat langer weg bleven, dan anders bij een gewone inspectie het geval is.

Op hun terugtocht brachten zij Oeke mee.

Oeke kwam van de kust.

Zijn ouders woonden vlak aan zee, en Oeke had nooit anders dan de zee gezien, behalve de keren dat hij met zijn moeder pasarwaarts ging, een klein eindje het land in waar de grond al heuvelachtig werd. Dan wist hij ook wel iets van het bergland, want vader vertelde hem er van. Die ging om de tien dagen vast met zijn klappers naar de markt ver het binnenland in, want daar boven in het gebergte waren bijna geen klapperbomen en die vruchten moesten dus aangevoerd worden. Maar nog nooit was kleine Oeke mee geweest en hij zou dat alles waarover vader sprak, toch zo

Sluiten