Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zitten en een wijs gezicht zette alsof hij wilde zeggen: „Wie hebben we daar nou?”

Hij droomde niet eens van zijn land, en van de klapperbomen en de zee, die altijd maar door zong.

Oeke sliep als een marmotje.

De volgende dag werd Oeke’s lange haar geknipt en op het pasartje een nieuw baadje gekocht. Er was er maar een en dat was helaas wat te klein, maar hij moest ’t toch maar aantrekken want dat was tenminste schoon. Later zou hij andere baadjes krijgen als ze gemaakt waren op zijn maat. Toen hij helemaal schoon was en aangekleed leek hij wel n andere jongen.

Nu werd hem zijn werk gewezen. Dat was voornamelijk de paardenstal schoon houden, op de beesten passen als ze buiten graasden en de kleine herten, waarvan er zes in het parkje waren, iedere dag brood en water geven. Gras haalden ze zelf wel.

s Avonds, zodra de zon gezonken was, had Oeke niets meer te doen en dan ging hij zingen. Van de eerste dag af die hij bij ons was, had hij dat gedaan.

Hij ging met zijn gezichtje naar de ondergaande zon zitten, ergens in het gras of op een trapje van een der bijgebouwen en zong. Wi] konden er niets van verstaan, want de taal die de mensen aan de kust spreken, is een heel andere dan die welke in het binnenland en in de bergen gesproken wordt, maar we wisten allen dat het een eentonige wijze was, o zo eentonig en soms droevig, zo droevig dat we niet konden begrijpen, dat het dezelfde Oeke was met zijn ondeugend jongensgezicht, die die liedjes zong....

Er was een oud Boeginees vrouwtje, dat wel eens vruchten aan mij verkocht, een wijs moedertje dat vele talen uit de omtrek kende. Zij was er juist en zat met haar vruchtenmand bij de deur. „Hij gaat zingen, Ijolle zeide ik „en nu moet jij mij zeggen wat hij zingt. Goed luisteren hoor!”

Sluiten