Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ijolle knikte met haar vriéndelijk oud apensnoetje en keek naar Oeke, maar Oeke zweeg.

„Kom Oeke, niet verlegen zijn,” zeide ik.

Oeke keek me even aan met zijn grote ogen, alsof hij wilde zeggen „verlegen? ik weet niet wat dat is!

„Zing dan toch,” zeide Ijolle, „je bent toch niet bang?”

Oeke schudde zijn hoofd. „Ik ben niet bang,” zei hij „maar ik moet toch eerst bedenken wat ik zingen zal. Ik zing toch zo maar niet zonder er eerst goed over na te denken!

Nu dat vond ik al een heel goed ding en ik dacht zo bij mij zelf, dat iedereen die goede gewoonte moest hebben, dan zou er heel wat mooier gezongen worden in de wereld!

Maar het mooie was, Oeke verzon zijn liedje zelf, dat bemerkte ik nu pas. Ik dacht vroeger dat hij de liedjes van zijn land zong, maar het bleek nu dat het eigen gedachten op woorden en muziek waren! Vol spanning was ik wat er komen zou. Oeke dacht erg lang kwam het mij voor en ik wanhoopte er al aan of hij ooit klaar zou komen met zijn gedachten, toen daar opeens zijn bevende schrale jongensstem begon te zingen — eentonig als altijd en toch met een zekere nuance van droefheid, zijn lied was als zijn gezichtje. Dat keek ook zo ogenschijnlijk kalm, zo ogenschijnlijk zonder hartstocht recht voor zich uit naar de al donkerder wordende hoge bergenreeks, maar als je goed keek zag je wel degelijk een verlangen, een grote droefheid in de donkere ogen tintelen. Ik kon mijn ogen niet van het kleine jongensfiguurtje afhouden, dat daar zat als een bronzen beeldje op de trap, half beschenen door de laatste licht flikkeringen.

Hij hield even op en Ijolle vertaalde het dadelijk voor me en in haar taal klonk het ook al zangerig. In het Hollands klinkt het lang zo mooi niet.

Als ik recht uit zie over gindse berg,

Dan zie ik mijn land,

Het land waar de zee is.

Sluiten