Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zorgen van den ziekenoppasser over. Die nacht kwam er met veel meer van slapen en ’s morgens vroeg ging ik al naar Oeke kijken.

Het was werkelijk niet anders dan een schampschot en met een goede verzorging zou hij gauw beter zijn.

„Waarom deed je dat toch?” vroeg ik, toen hij me aanstaarde met zijn grote ogen.

„Ik wou naar huis! zei hij.

„En kon je niet wachten,” vroeg ik weer, „geen vier dagen?

„Dé!” zeide hij zachtjes.1)

Toen Oeke helemaal beter was is hij naar huis gegaan. Hij marcheerde weer met een patrouille mee, die de kampongs ging inspecteren en zijn gezicht stond zo vrolijk als wat, hij voelde zich zo blij als een stekelvarkentje — maar ze zullen daar thuis wel vreemd opgekeken hebben toen ze hem terug zagen zonder zijn lange verwarde haarbos en met een jasje aan. Ik geloof echter niet dat die verbazing lang zal duren, want ik wed dat binnen n week tijds, Oeke niet meer weet wat een jasje is en hij met zijn bloot lichaam en verwarde lange haren met de anderen in de golven speelt en op het strand krabbetjes vangt of de eieren steelt van de maleovogel, die ze daar verbergt in het warme zand.

*) Dé — neen.

Uit: Indische Levens, Onderworpenen, door M. C. Kooy-van Zeggelen. Meulenhoff, Amsterdam.

Sluiten