Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ditmaal duurde het slechts kort voor Manoe weer verscheen. Een strakke glimlach om zijn lippen.

„Gewroken!” was het enige woord, dat hij uitstiet. En meteen begon hij met zijn broer, die het woord had opgevangen en er bij leek te herleven, de lijnen op te halen.

Beneden ons had het zeewater zijn zwarte kleur verloren. De zon scheen door het oppervlak als door een spiegel en alles had daaronder zijn scherpe omtrekken en felle kleuren herkregen.

Zo zag ik dan de octopus langzaam naar het oppervlak komen.

Manoe had zijn wraak goed genomen, veel leven zat er niet

meer in het gedrocht. Het bolle, gelatine-achtige lichaam maakte de indruk van een luchtledige ballon: de aangehechte bek had de vreselijke hap- en zuig-bewegingen gestaakt. Eén oog was er letterlijk weggesneden, maar het andere staarde nog, wijd, groot, levenloos, maar zonder boosaardige uitdrukking.

De warreling van vang-armen, zwart en slijmerig, maakte nog stuiptrekkende bewegingen. Doch zij grepen en tastten niet meer; de melkwitte zuignappen trachtten machteloos en vergeefs houvast te vinden, toen het gevaarte aan de kanoe werd vastgesjord om als buit mede huiswaarts te worden genomen.

Maar eer de beide broeders naar hun pagaaien grepen, om de terugtocht te aanvaarden, stieten alle twee, als bij afspraak met één-en-hetzelfde gebaar van razende woede hun speren in het weke kwabbige oog van de octopus, dat hen nog scheen te fixeren.

Daarna was hun woede gekoeld. En samen spraken zij ook met geen woord over hun strijd onder water, in de duistere wolk waarmede het monster hen verblind had, beide broers vechtend om hun leven.

Nu zij als trofee het monster achter hun kanoe meesleepten en hun wilde wraak was bekoeld, lag over hun kinderlijke gezichten een uitdrukking van zachtheid en vriendelijkheid

Overgenomen uit „De Indische Post*’ van 7 Augustus 1926.

Sluiten