Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zonden: Brahma heeft uw gebeden verhoord,” zei hij. „Er zal u een zoon geboren worden. Als deze zoon volwassen is, kom ik tot u terug, om u te zeggen wat Brahma’s wil is. Gij die beiden zo vroom zijt en zo braaf, zult dan doen, zoals Brahma dit van u verlangt.”

Kjai en Njai Kësoema bogen hun grijze hoofden ter aarde, als teken, dat zij Brahma’s bevelen zonder te morren zouden opvolgen. En toen ze nu weer opkeken, was Brahma s afgezant verdwenen.

’t Was een jaar na deze voorspelling, dat hun werkelijk een zoon geboren werd. De knaap was zeer schoon, en hoe ouder hij werd, hoe schoner zijn gelaatstrekken werden. Zo groeide hij op tot een flinken jongen man, en hij was zó braaf en moedig, en daarbij zó goed voor zijn reeds bejaarde ouders, dat Kjai en Njai Kësoema hun zoon de steun en troost van hun ouderdom noemden.

En toen nu deze zoon volwassen was, werd er op zekere nacht weer op de deur van de hut geklopt, en weer was het de afgezant van Brahma, die tot hen kwam. Heel somber, bijna treurig was nu het schone gelaat van den halfgod, die met zachte, droeve stem tot Kjai en Njai Kësoema begon: „Brave lieden, morgen is het nieuwe maan. Beklimt in die nacht met uw zoon de Brohmoh, tot aan de kraterrand. Want weet, dat in deze nacht Brahma uw zoon zal komen opeisen. Volbrengt daarom zonder morren het offer, dat Brahma, uw God, van u verlangt.”

„Dat Brahma’s wil geschiede,” zeiden met droeve stem de oude lieden, terwijl zij zich ter aarde bogen.

Zonder morren of klagen over het grote offer, dat Brahma van hen eiste, begaven zij zich de volgende nacht met hun zoon op weg naar de Bromoh. ’t Was nog lang geen dag toen zij de plek bereikten, waar Brahma het offer zou komen opeisen. Daar bogen Kjai en Njai Kësoema zich ter aarde, en smeekten als in gebed: „Grote machtige Brahma, zie hier onzen zoon, het grote offer, dat gij van ons verlangt. Zie hier ons kind, de steun en troost van onze ouderdom. Neem hem tot u, doch sta ons toe met hem te gaan. Laat ons met hem sterven.... Want zie, Grote Heer, wij beiden

Sluiten