Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn reeds zo oud en zo moe. En wat zal er van ons worden, als ge onzen zoon tot u neemt? Wie zal dan onze geiten hoeden? Wie zal het water uit de bron halen, en maïs planten, als onze zoon dit niet meer doen kan?

Met hun hoofd diep ter aarde gebogen, bleven Kjai en Njai Kësoema met hun zoon in hun midden, afwachten wat Brahma over hen zou beschikken.

In deze houding bleven zij, totdat zij Brahma’s goddelijke stem hoorden, die tot hen sprak: „Njai en Kjai Kësoema, ik verlang uw zoon niet als offer. Hij moet uw beider steun blij ven, zo lang ge leeft. Ik wilde alleen maar beproeven, of ge mij, uw God, bemint. Ge hebt de proef doorstaan; ge hebt mijn wil geëerbiedigd. Gaat thans heen en leeft gelukkig met uw zoon!”

„Dank, grote, machtige Brahma, dank voor uw oneindige goedheid,” dankten nu de oude lieden, met vreugde in hun stem, hun God. „We zullen u met grote liefde gedenken. We herdenken deze dag door u het beste te offeren, dat onze grond of onze kudde oplevert.”

Kjai en Njai Kësoema spoedden zich nu met hun zoon naar hun hut terug. Daar namen zij de vetste geit uit de kudde, en de schoonste maïskolven van het veld, en daarmee zonden ze hun zoon naar de Bromoh terug.

En terwijl hij de geit aan de kraterrand had geslacht, wierp hij het kostbare vlees en de maïskolven in de krater en sprak: „Grote, machtige Brahma, hier brengen wij u als offer het beste wat we bezitten, tot dank voor uw oneindige goedheid. Neem dit offer met welgevallen aan. Ieder jaar zullen we u zulk een offer brengen.

En van die tijd af brengen de Hindoes uit het Tenggergebergte ieder jaar op dezelfde dag, hun offerande aan Brahma, hun God! Dan vieren zij het Bromoh-feest (feest ter ere van Brahma!)

Uit: Javaanse sagen, mythen en legenden, verzameld door Jos. Meyboom—Italiaander. Zutphen, W. J. Thieme & Cie., 1924.

Sluiten