Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET BEZOEK VAN FOHI.

Daar reisde een Man; (’t is wijd van hier Voor jaar en dag gebeurd)

Zijn rug was krom, zijn baard sneeuwwit, Zijn schaamle rok gescheurd.

Door ’t avondduister liep zijn baan Op t hutjen van een Weduw aan.

Behoefte woont daar bij de Vlijt;

Maar gastvrij is ’t onthaal:

Geen laafnis faalt den Reiziger —

Geen krachtherstellend maal;

En ’t leger voor hem toebereid,

Heeft, die t hem bood, zichzelve ontzeid.

Zij waakt, en zorgt voor ’t nieuwe kleed, Hem mildlijk toegedacht.

De Weefster neemt het van een web,

Die op den koopman wacht,

En legt het, eer het donker zwicht,

Ter sluik, waar ’t afgedragen ligt.

Zijn afscheidsgroete brengt haar Gast,

Zoo dra de morgen blinkt.

„God loone u!” spreekt hij, maar daar volgt Wat als een raadsel klinkt:

Het luidt: „En t geen gij eerst begont Dat hou niet op, voor de avendstond.”

Sluiten