Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En, vroeg, gelijk in de arme hut,

Bereid ten verdren togt,

Herhaalt heur Gast het afscheidswoord,

Dat zulk een Wonder wrocht:

Bij h aar wordt mee ten slot gehoord:

„Wat ge aanvangt duur’ tot d’avend voort”.

Zij staat reeds, waar zij ’t overschot Van ’t web geborgen heeft;

Maar slaat, vergramd, door ’t spinneweb,

Dat voor de bergplaats zweeft;

En t eerste werk, door haar gedaan,

Houdt straks — met eindloos — ragen aan!

Hoog stapelt zich het goedkoop web,

En maakt steeds plaats voor meer;

En, roert een hoop den zolder aan,

Een nieuwe klimt alwéér;

En ’t Rag berst, als de kim zich sluit,

De Raagster na, heur woning uit.

Geen Fohi geeft, in onzen tijd,

Aan Deugd of Ondeugd loon.

Men ziet geen groeiend Wonderweb,

En geen vermomde Goón.

Maar Hebzucht, die zichzelv’ bedroog,

Vertoont zich daaglijks voor ons oog.

A. C. W. Staring.

Uit: Gedichten.

Zutphen, W. J. Thieme & Cie.

Sluiten