Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE WILDE JACHT.

’t Was op een dag dat ik een verre tocht over de Veluwe ondernomen had en ik mij 's avonds wat lang had opgehouden bij vriendelijke boerenmensen. Het was reeds tamelijk donker en de duisternis nam snel toe door een opkomende donkere wolkbank, waarin de zon was weggezonken zonder de minste kleurengloed in de grijze lucht achter te laten.

Op de open hei gekomen, zag ik boven de grauwe wolkmassa hoog tegen de lucht opgekropt, een paar dondertoortsen1) in bruin violette gloeiing. Toen ik het bos inging, begon het allengskens wat te waaien. Het was er volslagen donker onder het ruizelend geboomte, zodat ik met moeite de weg vond en eindelijk bemerkte, op een verkeerd pad te zijn geraakt, dat ik niet goed kende.

Naar mijn gissing moest ik nog slechts een paar uren van huis zijn, maar durfde niet met zekerheid de weg vervolgen. Om geen ongewenste doling te maken, keerde ik dus op mijn schreden terug.

Aan een zijwegje had ik, naar ’t mij scheen, in het bos een hut zien staan, waarin de houtschillers des zomers verblijven.

Het was dus daarheen dat ik mijn schreden richtte, om er zekerheid te krijgen.

Ik meende het even heel flauw te zien weerlichten. Dicht bij de hut was een open plek, waar het akkermaalshout gevallen was, en daar stond een oude man aandachtig naar de lucht te zien, die hoog boven de bomen woelde en kruide en vreemde glansen had, zoals men wel op oud metaal ziet.

Op mijn vraag keek de man mij eerst onderzoekend aan met zijn sterke grijze ogen en zei toen: „Ja, die weg is wel goed, al loopt hij een beetje om, maar als je droog thuis wilt komen, zou ik hier maar liever even wachten, want wij krijgen voort boos weer.”

*) Dichterlijke volksbenaming voor de smal en hoog oprijzende koppen van een onweerslucht.

Sluiten