Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen Willebrord de kruisleer bracht

Van d overkant der zee,

Was ’t hier één zand in ’t heidensch land,

Eén droge, dorre stee.

De tocht was lang, de hitte bang,

De reisflesch uitgeput;

Des Heiligs borst versmacht van dorst. • •.

En nergens huis of hut.

Daar staat hij, leunende op zijn staf,

En ziet vergeefs in ’t rond- • • •

Daar knielt hij neer, en bidt zijn Heer,

Daar opent zich de grond.

Daar vloeit een zilverklare bron,

Die allen nood verdrijft,

Waar Willebrord zijn dank bij stort,

En die gezegend blijft.

Dat is de put van ’t klein Heiloo,

In Kenl^emerland beroemd;

Die ’t wonder looft, ontdekk’ zijn hoofd En strooi hem met gebloemt.

Nicolaas Beets.

Uit: Gedichten.

Leiden, A. W. Sijthoff.

Sluiten