Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Spion ligt, loopt boer Smit. Hij is het fortje, een vierkant aarden werk, voorbij en spant zich in om met gebukten hoofde tegen de storm op te komen: ginds niet ver van de kade langs de Drecht ligt zijn woning. Nu en dan staat hij stil met de beide handen aan zijn grote pet om te luisteren; hij beproeft nu eens met het gezicht naar de wind toe, dan weer er van afgekeerd, te vernemen of de klok op Oud-Loosdrecht luidt. Maar ofschoon de wind bijna geheel mee is, het fluit en huilt zó langs zijn oren, dat hij het niet kan gewaar worden. De sombere storm is alleen aan het woord; slechts nu en dan als hij even bedaart, als om weer adem te halen, hoort Smit de golfslag tegen de kade en ’t snerpend krassen en piepen van ’t riet in de plas. Het wordt intussen geheel donker, donkerder zal het ten minste op deze avond in Maart niet worden; want, ofschoon zij zelve niet zichtbaar is, schijnt de maan door de ijlende wolken. Nu en dan valt een enkele ijskoude regendroppel, maar het waait te hard.meent Smit, dan dat de wolken zich meer zouden kunnen ontlasten. Weer staat hij stil met de handen aan zijn hoofd; hij luistert met open mond, hij keert zich om, hij schijnt te twijfelen. Dan bukt hij zich aan de kant van de weg en tast met beide handen langs de grond, als zoekt hij naar het water, dat hem nu en dan over zijn voeten slaat. Verschrikt richt hij zich plotseling op. „Grote God! Het wast, het wast!”

Nog enige schreden doet hij vooruit, en juist als hij het niet meer geheel droge voetpad naar zijn woning wil inslaan, bemerkt hij op geen tien pas afstand mensen op de weg, die op hem toekomen. Het zijn enige mannen en vrouwen en kinderen; zij lopen met haastige tred en dragen allen grote pakken of manden; enkele vrouwen ook nog een kostbaarder schat — de jongstgeboren lieveling; een koe en twee geiten worden mede voortgedreven.

„Berg je, baas Smit, zijt ge nog niet weg?” klinkt het uit de groep. „Vlucht, vlucht met vrouw en kind, eer het te laat is!”

„Hoe is t met het water? vraagt Smit, wel tot verbazing der anderen, want hij vraagde immers naar hetgeen hem zelven bekend was. Maar Smit hoopt een antwoord te ontvangen dat onwaarheid bevat. Gerechte Hemel! als hij de waarheid hoorde!

Sluiten