Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„’t Moet nog een kwart el wassen, zegt de burgemeester. Hoort ge de klok op Loosdrecht niet? Vlucht naar de overzij der Vecht, dan zijt gij voorlopig vei • • • •

De man die sprak, kon niet verder voortgaan. Hij had zich reeds moeten omkeren om Smit een en ander toe te roepen, nu sloeg een windgolf hem in de mond.

Smit kon zijn woning niet meer droogvoets bereiken. Het voetpad was ondergelopen en op het erf en in huis stond bijna een voet water.

„Goddank!” zo komt zijn snikkende vrouw hem tegemoet, over enige planken die op stoelen en manden gelegd zijn: „Ik werd zo bang; moeten wij weg? Ik durfde niet alleen met de kinderen te gaan. Waar bleef je zo lang, Bart?”

„Ik heb in ’t dorp nog naar Jan omgezien,” antwoordt deze, terwijl hij op de tafel gaat zitten, „maar ik vind den bengel niet; ik ben bevreesd: als hij fferugkeert, kan hij de kade best missen en in ’t water raken. Ik zal hem dadelijk tegemoet gaan, maar ik dorst je niet langer alleen te laten.

„Ja, breng hem weer,” zegt de moeder angstig. „Maar zullen wij niet vluchten, Bart? Het water wast.

Bart Smit staart wanhopig voor zich uit in ’t water, waarin het flauwe schijnsel van het lampje weerkaatst wordt. Buiten giert het, in de schoorsteen buldert het. En zonder zijn vrouw aan te zien, herhaalt hij met angst: „Ja, het wast, het wast!”

„Wij moeten weg. Bart, denk om onze kinderen. Wie zegt je, dat ’t huis niet geraakt wordt; dat ze ’t niet in brand zullen steken?”

Smit antwoordt niet, want hij weet het niet. „Blijf hier, zegt hij dan, „’t zal zo hard niet rijzen of je kunt Hannes en Mieke wel in de bedstee laten liggen. Ik ga Jan halen en dan zullen we zien.” Dan drukt hij de hand van zijn vrouw.

Hij schrikt. „Heb je ’t zo koud?”

„Ja: de haard staat diep onder.”

Nog een handdruk en Smit vertrekt. Buiten plast en tsjoept het water bij zijn schreden.

Sluiten