Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik ben zo bang,” klinkt het zwakke stemmetje van Mieke uit de bedstee.

„Sst! land, stil! Ga maar gauw slapen. Moeder waakt; vader keert zo weer.—Vader keert zo weer! O God! en wat dan?

Een half uur van Smit’s woning ligt aan de rivier het dorpje Loenen, voor het grootste gedeelte op de andere oever. Nu de oorlog reeds acht dagen geleden is uitgebroken, is het door de meeste bewoners verlaten en heeft de bezetting, drie compagnieën infanterie en enige cavaleristen, er de ruimte. Zij hebben het tfzich zo gemakkelijk mogelijk en practisch ingericht.

Het dertienjarige Jantje van baas Smit, die de ernst van de tegenwoordige toestand volstrekt niet begrijpt, is straks naar het dorp gegaan om voer voor de eend te halen, die juist tegen het erf aan, op een nest met eieren zit, verscholen tussen wat riet en biezen. Maar evenals gisteren en eergisteren is hij zo spoedig niet weg kunnen komen uit het dorp; hij vond ze zo mooi al die uniformen en vooral de huzaren, die hij eigenlijk voor „de hoogsten aanzag. Eens is hij met vader te Maarssen geweest „en toe kwama* daar een hele troep soldaten uit Utrecht en toe’ liepen ze t dorp door met heel kleine tamboers, niet veel groter dan Jantje zelf was, voorop en toe’ is ie ’n heel eind meegelopen, tussen den kolonel te paard en de tamboers.” En toen heeft hij een maand lang verhalen gedaan van dat mooie schouwspel.

Nu vindt zijn vader hem midden in het dorp. t Was moeilijk zoeken geweest in de duisternis. Daar staat hij op zijn klompjes, zijn pet achterover op één oor, met één hand in zijn zak en een pakje in zijn andere, op zijn gemak een tweetal huzaren te paard te bewonderen, die voor de ingang van een huis staan te wachten^ doch die in ’t donker ternauwernood te herkennen zijn. Van weer en wind schijnt hij niets te bemerken. Daar voelt hij eensklaps een grote hand hem onzacht bij zijn kraag vatten: „Waar blijf je kwajongen? Moet je drie uur uit blijven, als ’t lang donker is, over achten: moeder zit thuis in angst. Alla! probeer ’t nog eens rakker! Deze vermaning wordt voorts met een duchtige oorvijg nog

Rijpma, Jonge Kracht. I. 6

Sluiten