Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de Maartensdijkse weg door te graven om ’t water kwijt te worden ?”

„Nu, Burgemeester, zo iets zal nooit een commandant of wie ook van mij zeggen. Hij zal mij hier wel met vree laten, zomin als een vijand hier zal komen. Nog eens, de duivel in persoon zou hem hier moeten brengen; begrijp je, mijnheer de Burgemeester?”

„Jawel, Smit. Nu enfin! Ik hoop dat we elkaar in beter tijden weerzien. De burgemeester drukte de ruwe hand van den boer en vervolgde zijn weg naar de Vechtdijk.

’s Middags was Jan Smit in het dorp. Vader en moeder hadden hem toegestaan er heen te gaan, doch slechts onder de uitdrukkelijke voorwaarde, dat Jantje om drie uur thuis moest zijn: als hij een minuut over de tijd thui^Jcwam, dan was ’t met de gehele eendenkooi gedaan, dan kon de eend gaan zwemmen en vader nam de eieren weg. En dat was het vreselijkste, waarmede vader Jantje dreigen kon!

Het weer is sedert gisteravond veel verbeterd. De wind is bedaard en de zon, al is zij nog flauw van kracht, schijnt vriendelijk op t dorp en op de in een zee herschapen streken aan de overzijde. — In de ingang van een huis, midden in de kom, staat een militair, een sergeant, van kolossale gestalte; zijn grote, zwarte baard reikt tot op de borst en dekt ten halve de zilveren medaille, die daar schittert aan het oranjelint. Jantje staat zeker meer dan vijf minuten dien groten man aan te staren op niet meer dan drie pas afstand; hij bestudeert op zijn manier die schone figuur, die hem zoveel belangstelling inboezemt. Eindelijk ziet die grote soldaat naar beneden en als hij daarop zijn ene been een weinig verzet, dan vliegt Jan enige schreden achteruit: zo schrikte hij!

„Schrik maar niet, mannetje,” zegt de sergeant met een zware basstem, „ik zal je geen kwaad doen. Wat wil je?”

„Niks, antwoordt Jan Smit nog enigszins bedeesd, „niks, ik keek maar. Ben jij de majoor?”

„Ik? Wel neen. Moet je den majoor hebben?”

„Nee; maar wat ben je dan?”

Sluiten