Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Thuis gekomen liep Jan de zoldertrap op en toen hij nog halverwege was, begon hij reeds tot moeder en Hannes en Mieke zijn opgewonden verhaal.

„Heb maar niks geen zorg,” zeide hij tot moeder, „de grootste soldaat van allemaal is in Loenen: die is wat mans, hoor! Een baard heeftie—wel een voet lang omtrent. Gaatzitten Kaatje! zo’n kerel!”

En moeder had bij al haar angsten toch schik in den kleinen guit, die na die vreselijke dag der oorlogsverklaring nog geen ogenblik minder vrolijk/was. Gelukkige kleinen, die geen zorgen hebben! Dat is moeder ten minste een troost. En zij tuurt uit het zoldervenster nu eens naar ’t Fort en dan weder naar de torenspits van Loosdrecht en dan telt ze weer eens: „één, twee, drie.”

Jan, die al een ferme opgeschoten jongen van dertien jaar was, was evenwel niet altijd in huis op de zolder te houden of bij de eendenkooi, waar hij soms een geruime tijd van de dag kon doorbrengen. Hij ging nu en dan eens naar het dorp, dat tegenwoordig nog meer aantrekkelijkheid voor hem had dan voorheen. Als hij met het schuitje aan de Laan was, dan kon hij er langs deze weg en de Vechtdijk droogvoets komen. Dan zat hij soms uren lang te praten met zijn nieuwen vriend, den sergeant met de grote baard. Deze vertelde hem eens dat hij het vaandel droeg, „het vaandel van het regiment, begrijp je?”

„O zo! de vlag,” zei Jan, „hoe ziet die er uit?”

„Helemaal oranje, met een zilveren piek.”

„Mag ik ’m niet eens zien? Toe! Iaat ’m eens kijken.”

„Dat kan ik niet, Jan. Het vaandel is altijd bij den kolonel, want het moet veilig zijn, weet je: daaraan mag nooit iemand raken dan de kolonel en ik.”

„Maar wat betekent dan zo’n vlag?”

„Zo’ n vaandel bedoel je, Jan,” verbeterde de sergeant een beetje gewichtig. „Dat betekent-... hm! as je nou, wil ’k maar eens zeggen, vechten moet en je hebt ’t vaandel nog, dan kan de vijand je nooit overwinnen. Dat is de eer van het regiment, begrijp je; we waren reddeloos verloren, als de vijand het in zijn vingers kreeg: dat zou een eeuwige schande zijn.”

Sluiten