Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i ,”Pan ben le zeker wel blij, dat je het vaandel dragen moogt, hé? vraagde Jan met een paar schitterende ogen.

„Zeker, zeker. Zolang en waar ook onze jongens het zien, daar overwinnen zij. De vijand zal wijken, waar ik het omhoog houd — of een ander, als ik soms doodgeschoten ben, begrepen?”

Jan schrikte. Neen, dat begreep hij niet. Dit had de sergeant niet moeten zeggen: dat hinderde hem. Hij meende dat die soldaat, dat zó n man niet doodgeschoten kon worden. Bos — zo heette zijn ideaal raakte aan zijn illusiën. „Net of ze jou zullen doodschieten, sergeant!” kwam hij ongelovig.

„Ik mag lijden van niet, was het antwoord. „Maar nou.... Jan ik ga een brief schrijven.”

„Aan wien?”

„Aan mijn vrouw en den jongen. Haast net zo’n ventje als jij bent, Jan: Willem heet ie: och, zo’n aardige baas!” En de sergeant begon: „liefste Hanna, terwijl Jan naast hem zat; en deze begreep niets van den reus-vaandeldrager, want toen hij goed en wel aan t schrijven was, toen vielen hem een paar tranen op zijn blauwzwarte baard. Jan zou bijna hebben willen geloven, dat het vaandel met in goede handen was.

Een paar weken later hoorde men in de stille, bijna gans verlaten streken langs de Vecht het kanon dreunen. Van bovenaf, van Utrechts omtrek, kwam nu en dan een dof gebrom aangerold over de watervlakte. Somber indrukwekkend klonk de stem dier metalen monden. Soms zwegen zij alle en de pijnlijke stilte die dan heerste, een pauze in dat vreselijk spel, beklemde het hart van

n e*i 1°°? Ij?er ^an sPraken. Ernst, hoge ernst sprak er uit

elke klank, die van daar ginds werd overgebracht naar de dreven, waar de ouden zaten en de kinderen, de moeders, de zusters, de meisjes, de bruiden. Aanhoudend weer dat gebrom, die zware tonen, verkondigende, dat men t dan toch eindelijk moest geloven, watmen zo lang niet had kunnen en willen begrijpen.

Weer dreunde een doffe knal; tot in het diepst van elks gemoed drong hij door en aan de lippen rees de vraag: Heet het vaderland

Sluiten