Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over al zijn leden; lichamelijk was hij door koude en vermoeienis uitgeput, vooral daar hij niet een zeer goed zwemmer was, en tevens werd hij door de hevigste aandoeningen overstelpt, als hij overdacht wat hij gedaan had. Hij rilde weer; hoe kwam hij terug? Ver lopen of zwemmen kon hij niet meer. Waar zou Jan nu zijn ? O, zag hij nu de zijnen weer bij elkaar!

Smit hoorde vrij dichtbij geplas van riemen in het water; voorzichtig kroop hij half wadende langs ’t dijkje van de Drecht voort. Dreef (daar iets: een boot! Daar was beweging: hij hoorde zuchten, steunen.

„Ben jij ’t Jan?” vroeg hij zacht, doch juist luid genoeg om verstaan te kunnen worden.

„Vader! ja vader!” was ’t antwoord: „help eens; wacht, ik kom.”

Goddank! goddank! bad Smit. Nu zou alles terecht komen; Hanna zou weer beter worden, hij bracht hun kind weer, en daarna: och! wat kon ’t schelen, als hij zijn lieven weer bij elkaar had!

Het bootje, waarmee Jan in de duisternis reeds zo lang had rondgezwalkt, zonder de ouderlijke woning te kunnen vinden, tot zijn krachten hem bijna begaven, bereikte de oever. Smit sprong in de boot, kuste zijn zoon en roeide met krachtige slagen weg: ’t Werd hoog tijd, want weer viel een schot en de kogels sloegen links en rechts in ’t water. — Als zij ’t Eendennest eens niet bereikten? Zou ’t zijn schuld zijn? Had hij schuld? Wat had hij gedaan? Neen, neen; elke vijand, die nu door zijn toedoen de dijk niet bereikt had, had wellicht het leven aan een landgenoot benomen. Neen, neen! Toch huiverde hij, als hij in enige seconden koortsachtig alles wat in de laatste uren gebeurd was in één gedachte samengreep.

t»In s hemelsnaam, Jan, ga plat onder in de boot liggen,” beval hij, toen hij weer die flikkerende rode gloed zag; hij bukte zich zover hij kon om nog te kunnen roeien.

Boem! De kogels floten en kletsten in ’t water en sloegen tegen de boot. Jan lag plat onder op de bodem. Uit eigen beweging of getroffen? Smit dorst niet onderzoeken, niet vragen. Boem!

Rijpma, Jonge Kracht. I. 7

Sluiten