Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vooruit, vooruit! 0 God, zo had hij nog nooit geroeid!

„Ben jij Bart Smit?” vroeg de commandant van ’t Fort aan den dapperen boer, die met ’t krieken van de dag door twee man vóór hem werd gebracht.

„Ik ben Bart Smit,” antwoordde de aangesprokene langzaam met een klemtoon op elk woord. De beide mannen keken elkaar strak in ’t gezicht, Smit of hij zeggen wilde: nu heb je zeker niets aan te merken, en de commandant met verbazing het voorkomen van den eenvoudigen boer bestuderende, die hedennacht zoveel gedaan had.

„Wat was er van je verlangen, Smit?” vraagde hij eindelijk.

„Of u mij enige ogenblikken den dokter zoudt willen meegeven,” was t antwoord, met trillende stem uitgesproken; en de grote, moedige man schreide.

„Wie is er ziek, Smit?”

„Jan... • mijn zoontje.... is door een kogel uit het fort in de rug getroffen. Ik ben bang. ... o ik ben zo bang — geef mij den dokter, commandant geef-...”

„Zeker, zeker, terstond.”

De dokter ging mede.

En de dokter paste alle middelen zijner kunst toe en moeder bad en vader.... bad ook-... o dat God hem toch mocht wegnemen in plaats van den armen lieven jongen, die zo’n genot in ’t leven vond en dat leven pas begon. Als ’t dan slecht was, wat hij gedaan had.... maar neen, dat was niet slecht.... welnu, zoveel te liever zou hij sterven in plaats van dat onschuldige kind.

Jan slaat eindelijk zijn oogjes weer eens op; hij heeft geen pijn meer. En met een zwak stemmetje vraagt hij: „Heeft de oude eend ze alle elf nog?”

„Ja, Jantje, zij heeft ze nog,” zegt moeder snikkend.

En Jantje sluit de ogen weer.

* *

*

De wateren zijn opgedroogd: de zon des vredes schijnt weer over

Sluiten