Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

T GEUZENVENDEL OP DEN THUISMARSCH.

Zij kwamen na jaren uit Brabant weerom met vliegend vaandel en slaande trom, en zagen de zon bij het zinken op ’t duin van hun Vaderland blinken.

Zóó rukken zij voort — ’t is de zee, die hen trekt — maar ginds, waar het gras hun gevallenen dekt, is ’t of hun een „halt!” wordt geboden, en houden zij rust bij de dooden.

„Komt, sla hier de trommel en steek de trompet!

Maar langzaam en statig, als zij ’t een gebed, en treed met ons vaandel naar voren: zij zullen het Prinsenlied hooren!”

Zij zongen het, saam om den heuvel geschaard,

met de hand aan den hoed, met de hand aan het zwaard,

en plechtig, ver in ’t ronde,

klonk ’t lied van Aldegonde.

Toen sprak nog de hopman een: „Broeders, goênacht!”

En ’t vendel trok voort; aan de kim, als een wacht, verhieven Hollands duinen in ’t avondrood hun kruinen.

F. L. Hemkes.

Uit: XL Gedichten. Leiden, E. J. Brill.

Sluiten