Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Om de Oost? Wat moet ik om de Oost? Waarom zal ik om de Oost gaan?”

„Wel, kolonel, volgens de windkaart zou ik zeggen dat u daar meer kans hebt, om....”

„Och, die windkaart, wat heb ik aan die windkaart hier in

het vak, waar ik nu ben, staat: stilte nul, en we hebben nu waarachtig al.... ”

„Ja, maar kolonel, neemt u mij niet kwalijk, dat ik zo vrij ben, u dat te zeggen maar die kaart zegt immers alleen ”

De kolonel kijkt meneer Van der Werf voor de tweede keer zeer verwonderd aan.

„Die kaart zegt immers alleen: volgens de journalen, die wij ter inzage gehad hebben.”

Hier richt de kolonel zich ineens in zijn volle lengte op.

„Wel, meneer Van der Werf, dat behoeft u me met te zeggen* ..

ik weet zeer goed hoe een windkaart gemaakt wordt Ik geloof

ook niet, dat ik u dat gevraagd heb.”

Een korte pauze, waarin niets gezegd wordt.

„Weest u zo goed, meneer, om de zeilen te laten bergen. We zullen straks zeilen-exercitie houden.”

Dit bevel wordt door den kommandant van de Tromp gegeven op streng officiële toon.

Meneer Van der Werf maakt een zeer deftige buiging, maakt het militaire saluut en zegt (ook ijselijk koud): „’t Is wel, kolonel,” maar terwijl hij de kajuit uitgaat, neemt hij bij zichzelven het vaste besluit, om als de Tromp weer binnen is, dadelijk zijn overplaatsing te vragen; want onder een kommandant als de kolonel Hovaerts, die zo licht geraakt is.... ziet hij geen kans om langer te dienen.

De kolonel blijft alleen in de kajuit en gevoelt zich zeer onpleizierig.

Dat zou in zijn tijd niet gebeurd wezen; en toen hij eerste officier was, zou hij zich zo n opmerking tegenover zijn kommandant niet gepermitteerd hebben.

Nog op het ogenblik is het hem een raadsel, hoe meneer Van der Werf zo iets heeft durven zeggen, „’t Is waar, hij heeft gevraagd: „wat moet ik doen?” maar dat is immers natuurlijk maar

Sluiten