Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

preparaties te maken; hij dacht er over of hij met dat stille weer een dolfijn of zo iets zou kunnen snappen.

„Wat blieft u, schipper?”

„Ja wel,” zegt de schipper, en bootst tegelijk hatelijk den bootsmaat en zijn woorden na. „Ja wel, wat blieft u.... Heb ik je niet gezeid om subiet na twee het wasgoed aan de lijn te slaan?”

„Jawel, schipper, maar ik dacht....”

„Je moet niet denken, bootsmaat.... ik wou dat je deed wat je gekommandeerd wordt, in plaats van dat je net als ’n jonge juffrouw met ’n kriolien over de verschansing ligt te gapen en te kijken, of je bijgeval de maan ook ziet drijven.”

„Er was een haai langs zij, schipper.”

„Een haai? Wat haai, bootsmaat, jij bent ’n haai, die zijn rantsoen opeet zonder dat hij er wat voor doet-... ’t Lijkt wel of jelui allemaal gek bent tegenwoordig met dat beroerde geslinger zonder dat je vooruit komt.”

De schipper kijkt naar boven.

„Als dat marszeil niet stuk slaat,.... dan maggen ze mijn.. •. Dat heb je nou tegenwoordig met al die nieuwerwetsigheid.... Vroeger had je alleen stilte onder de linie, en dan kreeg je van tijd tot tijd nog eens n flinke bui met wat zoet water er bij.... dan kon je de boel tenminste nog eens schoonhouden.... maar nou tegenwoordig, met al die terrometers en farometers.... nou heb je stilte-. • • met niks.”

„Morgen is het Zaterdag, schipper,” zegt de bootsmaat, die Jupiter weer in zijn humeur zoekt te brengen, door hem aan zijn lievelingsmorgen te herinneren.

„Dat behoef je mijn niet te vertellen, bootsmaat, dat het morgen Zaterdag is- •.. Als er morgen geen wind is, dan kan ik net zo goed geen schoonschip maken als wel.. •. Hoe zal ik m’n dek afspoelen, als zo’n schip net als ’n dronken mens heen en weer ligt te slingeren?”

En schipper Homstra gaat treurig naar „vooruit”; totdat zijn hand in aanraking komt met het oor van den jongen die. „geplaatst” is bij den hofmeester van den kommandant, om borden, schotels

Sluiten