Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wat blieft u, schipper?” vraagt het „jongetje”.

„Roep me den ziekenoppasser eens van benéden.”

„Zit in arrest, schipper.”

„Ik zeg: roep me den ziekenoppasser. Ik heb hem zelf in arrest gezet, omdat hij z n baaitje met aan had; dan mag ik hem er zelf toch ook wel weer uithalen!”

De ziekenoppasser verschijnt.

„Eh! zeg eens jij, beenafzetter Als ik jou nou nog eens atter-

peer als datje je baaitje niet aan hebt, dan ben je er bij hoor

dan zal ik zorgen, dat je gestraft wordt Ja, nou, stil maar,

maak nou maar geen hoepelspringerij ’t is goed, pak maar in.”

Na het zetten van de lijzeils wordt de schipper bij den kolonel geroepen.

„Wel schipper,” zegt de kolonel, „dat zetten van die lijzeils is netjes gedaan, heel vlug en net gewerkt, dat moet ik zeggen. Het doet mij groot genoegen, dat ik zie, dat er onder de equipage nog altijd ’n flinke geest heerst, als er wat gebeuren moet.”

„Ja kernei, ik doe wat ik kan, en als ik nou morgen met de Zaterdag mijn gang eens kan gaan, dan heb ik wel idee, dat het schip er Zondagmorgen met de inspectie weer naar behoren uit zal zien.”

„Wel schipper, daar twijfel ik niet aan Meneer Van der

Werf!” (tegen den Jen officier), „wilt u de equipage een extra oorlam laten geven?”

Extra oorlam aan de klok! De schipper geeft een stoot op de fluit. „Eén bij de klok!”

De klok wordt geluid. Er is een verward geroep van hoerah, en lang zal hij leven! en de Tromp, lijzeils, bramzeils en bovenbramzeils er op, stuurt, met een lekker briesje van een mijl of zeven acht, om de Zuid-Zuid-West.

A. Weruméus Buning.

Uit: De Rooie en andere Marineschetsen. Rotterdam, D. Bolle.

Sluiten