Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

’t Is een kleine, stoute baas,

Dat weet ook St. Nicolaas,

Want die goeie, brave kwant Uit het schone Spanje-land,

Die weet van kindren, groot en klein,

Of ze zoet of stout soms zijn.

Voor de laatsten heeft hij een roe,

En dan roept hij boos: „boe! boe!”

En hij zegt: „o jé! o jé!

Ik neem jou naar Spanje mee!”

Maar voor kinderen, zoet en klein,

Brengt hij iets van marsepein.

Tante Koos ging zo wel een minuut door en omdat Fokeliene al drie verzen van Koosje had gelezen, waarbij kinderen, zoet en klein, iets lekkers kregen van marsepein, en daar Tom — evenals Thijs — al meerdere malen in tante’s gedichten een stoute, kleine baas was genoemd, welk woord bij Koos niet anders scheen te kunnen rijmen dan op St. Nicolaas, waagde Foke het schuchter op te merken:

„Ik vind het heel aardig, Koos, maar zou ’t wel iets voor de jongens zijn?”

„Hoezo? Waarom niet?” vroeg Koosje verwonderd.

„Ja, zie je,” hakkelde Foke, die niet goed wist, hoe zij zich uit de moeilijkheid moest redden, „ik vind het eigenlijk meer voor grote mensen.”

„Nee, dat kan ik niet vinden,” meende Koosje, „ik vind het echt kinderlijk!”

„O, zeker,” bevestigde Foke met een goedkeurend knikje, „maar zouden ze ’t wel begrijpen?”

Koosje las het gedicht nog eens over; zij vond er niets diepzinnigs in.

„Ja waarom niet?” vroeg zij eindelijk, hoogst verbaasd.

„Ze zullen het aardige er in niet zo snappen!” merkte Foke op, overtuigd, dat dit pluimpje Koos zou strelen.

Sluiten