Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Nou, dat weet ik nog zo niet!” verdedigde Koos zich. „Je zult eens zien, hoe ze lachen om:

Voor de laatsten heeft hij een roe,

En dan roept hij boos: „boe! boe!

En hij zegt: „o jé! o jé!

Ik neem jou naar Spanje mee!

„De jongens weten heel goed, wat grappig is!

„O, zeker!” bevestigde Foke, die haar zuster niet wou teleurstellen met de opmerking, dat zij dit juist het zwakste deel van het hele vers vond. Foke zat er bepaald mee in.

„Mare mare zie je Koos,” stotterde zij, „zouden de

jongens nu bijvoorbeeld die eerste twee regels wel snappen?

„Tom, die kleine, loze guit,

Speelt heel gaarne op de fluit!

„Daar is niets aan te snappen!” bitste Koos.

„Ja, maar Tom heeft toch nooit fluit gespeeld!”

„Dat weet ik wel!”

„Nou dan?”

„Ja, hoor eens,” zei Koosje geërgerd, „zo moet je een vers niet uitpluizen. Fluit rijmt op guit, en daarom staat het er in. Als je zó wilt, blijft er van geen één vers wat over!

„Och ja, das waar ook!” zei Foke, bang om Koosje’s feeststemming voor goed te bederven.

„De jongens zullen ’t wat grappig vinden! meende Koos, nadat zij het vers nog eens had overgelezen.

Tante Fokeliene knikte en zweeg, maar in haar hart was zij ervan overtuigd, dat Tom en Thijs beiden de knobbel misten om tante Koosje’s grappigheid geheel naar waarde te schatten.

Op de vooravond van St. Nicolaas heerste er de grootste bedrijvigheid in den huize Moorman. De tantes resideerden in de benedensuite, de jongens huisden nu eens op de mangelkamer en dan weer op de zolder, terwijl Bet zich in de keuken had opgesloten.

Tom en Thijs hadden de gekste voorwerpen uit het kolenhok

Sluiten