Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naar rechts als bij een juffrouw, die zo uit het water is gehaald. In haar rug zat een portretlijstje verborgen en uit de mouw van de rechterarm — de tang — stak het volgende vers:

Nu Bet, naar ik hoor, met een soldaat gaat trouwen,

Kunt u ze niet langer als keukenmeid houën,

Daarom kom ik mij bij u presenteren,

Al zit ik wat scheef in mijn Zondagse kleren.

Ook ben ik niet mooi, dat weet ik heel wel,

Maar dat is iets, dat wel wennen zal.

Probeer het maar eens, och, lieve juffrouw,

’k Heet Grietje van Rijn en ik ben een weduwvrouw,

Als u mij als keukenmeid wilt behouën,

Dan beloof ik u vast, dat ik nooit meer zal trouwen.

De derde pop stelde Claartje Bonemeier voor en was even mager als tante Koosje zelf. Voor deze dame waren oorspronkelijk de Zondagse spullen van Bet bestemd geweest, maar door Bet’s onverwachte tussenkomst stak Claartje Bonemeier — opgevuld met zaagsel en watten — thans in tante Koosje’s mooie, zijden japon en mantel. Aangezien de jongens maar twee mombakkesen bezaten, moest Claartje zich met de doodskop van de orang-oetang behelpen, waarop heel netjes en parmantig tante Koosje’s kapothoedje met paarse linten was vastgebonden. In de voering van het hoedje zat het cadeau — een speldenkussen — en op de mantel was het vers gestoken, dat luidde:

Wel Koosje, hier ben ik, je beste vriendin Clare,

Zoals je ziet, zit ik heel slecht in mijn hare,

Ik hoor je al zeggen: „och heremijntijd,

„Haar neus en haar ogen is ze ook al kwijt."

Ik ben niets meer dan wat benen en vel,

Misschien denk je: „Is het Claartje Bonemeier wel?”

Maar ik ben het zeker, je beste vriendin;

Neem maar mijn hoed af en kijk er eens in.

Brandend van ongeduld hadden de Katjangs die vijfde December

Sluiten