Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bet gaf niet toe, waarom Thijs het gedicht maar verder voorlas.

Smt mekoolaas wilden een kedootje geefen

aan de jonge heer. torn en ook aan teis

maar Het was moeijeluk. want Wat moest het wel weesen

en hij zij Tot jan zijn knech. hoor eis

jan wat kedoo Zal ik voor Tom kooppe

Veet jij het. jan Sech het dan maar gerus aan mein

toe kompt jan hart naar sint niekoolaas aan

Thijs hield even op; hij begreep de zin niet goed.

„Lopen,” vulde Bet verlegen aan, die begreep dat zij dat woord in haar gedicht bij het overschrijven had vergeten.

„Zie je nou wel, dat het van jou is, Bet? juichten de jongens.

Bet zweeg; ontkennen hielp niet meer; het woordje „lopen” had haar verraden, en Thijs ging door:

aanlopen,

en segt een segaar dat is Fein.

„Nee, een schaar!” verbeterde Bet vlug.

„O ja!” zei Thijs, nu hij de betekenis van het woord „segaar” begreep.

en voor de liefe torn. moet uw een stempul geefe dat Find hij mooi en speel hij mee nu jan segt sint nie. kolaas koopt het dan maar eefe dan brengt wij dat drek oofer de See

De jongens en de tantes bewonderden Bet’s vers om het zeerst en de dichteres zat — verlegen over zoveel lof — bescheidenlijk bij de tafel; zij had eigenlijk zelf niet geweten, dat haar gedicht zo mooi was.

Maar Tom en Thijs hadden met lang tijd om over een vers na te praten. Zij holden al heel spoedig de kamer uit en vroegen aan Jochem, die met het naar binnengooien van de pakjes belast was, om maar een begin te maken met de 18 reuzenpakken van de mangelkamer. En telkens kwamen er nu grote pakketten binnen

Sluiten