Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een fier, maar luttel, krijgertal

Stroomde op dien kreet by-een;

Wat dorpers nog, met kodde en speer;

AI leeuwen, nu hun grijze Heer Zelf aan hun hoofd verscheen.

Maar naauw de woudbaan afgelegd En t duinpad op gegaan —

Daar stormt een ijzren Norenstoet

Hun tegen, als een najaarsvloed,

Die doorbarst uit zijn baan.

Het dorre duinzand walgt van ’t bloed, Dat op de helling daauwt,

De Kenmer deinst voor de overmacht,

Die voortdringt met ontembre kracht, Maar kampt nog onverflaauwd.

Terug — terug — altoos terug,

Steeds kleiner in getal;

Maar even woedend voortgestreen;

En immer deinzend, valt niet een In ongewroken val. —

Nog hief Heer Radbouts banderol Zijn kleuren hoog in top.

Stortte ook de drager neer in ’t zand,

Zoo hief eens fieren makkers hand Weer ’t vaandel hooger op.

De laatste valt. De standert zinkt.... „Neen! dat niet voor mijn dood!”

Heer Radbout grijpt zijn banderol,

En strijdt nog immer, geestdrift-vol,

Het grijze hoofd ontbloot.

Sluiten