Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kitty wilden al terug rijden, om ze op te zoeken, toen ze eindelijk het tweetal zagen komen aanrijden.

„Waar heb jullie zo lang gezeten?” vroeg Henk.

Kees vertelde mopperend, wat hij op deze korte tocht al met Greet te stellen had gehad.

„Als het zo doorgaat, dan zijn we vanavond om twaalf uur nog niet in Gravenland!” zei hij.

„Nou vooruit, laten we nou maar doorgaan!” riep Bram Heesink, die blij was, dat ze eindelijk weer bij elkander waren, en met hun achten gingen ze nu verder.

Een hele tijd reden zij samen. Kees werkte als een paard om de anderen bij te houden; hij kon Greet bijna niet vooruit krijgen. Was me dat ’n kwakkel? Ze kon er niks van! Als hij dat geweten had, had hij zich nooit laten lijmen.

Maar zo „zuur” als Kees het vond, zo „fijn” vonden Eddy, Bram en Henk deze tocht. Zij dachten er geen ogenblik aan, dat Kees met n hoofd als ’n boei achter hen aan krabbelde. Zij reden daar immers prinselijk met Kitty, Wies en Loukie, op dat prachtige ijs; hoe zouden ze dan nog aan Keesje Brummer hebben kunnen denken.

Kees kon bijna niet meer; hij transpireerde als ’n otter. Hè, hè, wat werd die Greet zwaar! En daar begon ze waarachtig weer te zeuren over haar schaatsen ook! Nee hoor! dat lapte hij ’m niet langer. Nou moest ’n ander dat karweitje maar eens ovememen.

„Zeg, lui,” zei hij, „nou moeten jullie Greet es trekken! Ik kan niet meer!”

De vrinden hadden er geen van drieën erge puf in, om het „vrachtje van Kees over te nemen, maar omdat zij wel begrepen, dat zij nooit te Gravenland zouden komen, wanneer zij het niet deden, besloten zij ieder om de beurt Greet vijf minuten te zullen trekken.

Greet vond het maar half prettig zo als „vrachtje” te worden beschouwd en zij was zelfs in haar hart ’n beetje beledigd, toen ze bemerkte, dat de jongens met het horloge in de hand reden, om haar precies op de seconde over te kunnen geven.

Rijpma, Jonge Kracht. I. ] |

Sluiten